Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga naar de hoofdinhoud Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga direct naar zoeken

Toespraak aanslag bevolkingsregister 2026

door Baukje Brugman

‘En in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars

Ik sta hier dit jaar als vertegenwoordiger van de familie van een van de verzetslieden, Sjoerd Bakker, die in de nacht van 27 maart 1943 een belangrijke aanslag pleegden op het Amsterdamse Bevolkingsregister. Het is een eer namens onze familie iets te mogen zeggen.

Vandaag gaat de aandacht dus extra uit naar mijn oudoom Sjoerd, de geliefde broer van onze ook zeer geliefde en bijzondere moeder en grootmoeder Baukje Bakker. Maar ook de andere namen op deze plaquette blijven hopelijk nog lang met deze dag verbonden, want wat zij met elkaar deden was ongelooflijk goed en dapper en hun daden moeten nooit vergeten worden.

 

Nu denken jullie misschien dat ik al klaar ben, maar er komt nog iets achteraan. Dat ik hier sta heb ik namelijk te danken aan het bijzondere feit dat iemand zich voor de geschiedenis van de familie Bakker heeft geïnteresseerd, en die ook helemaal heeft uitgeplozen én opgeschreven. De naam van dit begaafde mens is Toni Boumans, en zij is er op haar beurt weer verantwoordelijk voor dat ik hier vandaag ben uitgenodigd.

En nu dus stuk twee van mijn verhaal.

 

Toen ik klein was, ging ik met mijn zusje Eef vaak logeren in het fijne en oma-achtige Wassenaarse huis van onze oma Baukje Begemann-Bakker. Naast haar bed stond een foto van een hele knappe man, in een mooi wit pak met een gestippelde vlinderstrik erboven en met een stralende glimlach. Een filmster, leek het wel. Pas later begreep ik dat dat Sjoerd was, haar overleden broer. Mijn moeder Nienke had ons wel eens verteld dat oma veel familieleden had verloren in de oorlog en dat ze daar ook heel erg veel verdriet van had gehad. Dat kon ik me door die foto goed voorstellen, want die Sjoerd zag er behalve knap ook heel aardig uit, en alsof hij goed kon nadenken, en ook alsof je met hem kon lachen. En dus ook alsof je hem erg zou kunnen missen.

Er waren nog wel enkele andere familieleden overgebleven, om oma heen. Je had bijvoorbeeld oom Albert, die heel grappig was. Albert was inmiddels met Lammert de enige van oma’s broers die nog leefde. Tante Sjoeke woonde in Canada. En je had tante Aa. Dat was weliswaar geen echte tante, maar ze was er wel altijd bij op familiefeesten, met haar stoere uitstraling. Maar die intrigerende foto, die bleef toch met enig mysterie omringd.

 

Tot het Bakker-boek van Toni. Waarin zij alles zo glashelder heeft opgeschreven dat het mij bij lezen soms leek alsof ik er zelf bij was. Een stom cliché, ja, maar niet als het over je eigen familie gaat!

De Friese Bakkers uit Friesland, daar gaat dat boek over. De in de familie gevreesde maar ook zeer daadkrachtige overgrootmoeder komt ter sprake aan het begin, met haar eigen winkelketen, plus 17 kinderen. Miente was een van hen, en hij was weer de vader van Sjoerd, en van Baukje, mijn oma, en van Popke en van Dirk, en van Sjoeke en Djoeke en van Albert en Lammert en Maaike. En zo zie je maar dat een verhaal dat je simpel begint vaak genoeg weer uitwaaiert en als je iets wilt vertellen over de een, je ook weer bij allerlei anderen uitkomt.

Maar goed. Miente had, na zijn – veel te vroeg overleden – vrouw Trijntje te hebben verloren, begin 1926 zijn negen kinderen verspreid over de familie, zoals in die jaren niet ongebruikelijk was. En pas veel later – ik sla nu een stuk over, want anders wordt het verhaal veel te lang –, in de oorlogstijd, toen mijn oma Baukje inmiddels getrouwd was en kinderen had gekregen en in Leiden woonde, en de broers bijna allemaal in Amsterdam een leven en werk vonden, begonnen ze elkaar weer vaak te zien. Want die familieband, die was altijd gebleven. En ze gingen toen het oorlog werd ook allemaal in het verzet. Behalve mijn oma, zij en haar man Henk mochten niet meedoen van de anderen, want zij ‘hadden een gezin’.

 

Ik zou nu graag een heel verslag geven over wat ze allemaal deden binnen dat verzet, Sjoerd, Popke en Dirk en Albert. En niet te vergeten tante Aa, Ali, de beste vriendin van Sjoerd. Sjoerd was zeker niet de enige held in de familie, en ook niet de enige die de oorlog niet overleefde, en het voelt dus ergens nogal kaal om hem als enige te eren vandaag.

Maar tegelijk ook niet. Want een ander indrukwekkend verhaal dat ik me vanuit mijn jeugd herinner, is dat van Sjoerd in de gevangenis en hoe hij naar het einde is gegaan.

 

En dat is eigenlijk ook een belangrijke reden dat ik hier sta. Want we hebben dit soort verhalen nodig, geloof ik. Over echt dappere, eerlijke mensen, die in staat zijn aan hun eigen belang voorbij te gaan en op te staan en te verdedigen wat ze nog veel belangrijker vinden: vrijheid, goedheid, mededogen. En die, als het erop aankomt, óók als hun eigen leven in de waagschaal raakt gesteld, nog steeds hun hoofd hoog houden, aan hun principes vasthouden, en tegelijk zo menselijk en herkenbaar blijven.

Zo zie ik inmiddels dit verhaal over Sjoerd. Je moet er ook bij bedenken hoe jong hij nog was; achter in de twintig. Zijn leven was voorbij voor hij het echt kon beginnen, zou je kunnen zeggen. Maar zo zag hij het zelf niet.

 

Dit, het mooiste stuk ook in het Bakker-boek wat mij betreft, gaat over Sjoerds laatste contact met zijn familie. In de Weteringschansgevangenis moesten ze in een kamertje wachten. Mijn oma Baukje vertelde later aan de jongere familieleden: ‘Er kwam een jonge SS’er binnen, die zei tegen ons: “Jullie moeten hem bedanken want hij is zo goed voor me geweest.” Dat was zo vreemd. Een jongen in een SS-uniform die Nederlands praatte, en die zei dat Sjoerd goed voor hem geweest was. Dat verwacht je niet.

Toen kwam Sjoerd binnen. Hij was zo veranderd. Ook uiterlijk. Shining. Hij heeft ons allemaal getroost. Hij zei: Ik wil dat vader nog één keer voorleest uit de Bijbel. Romeinen 8, het Zegelied, “en in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars”. Daar word ik [Baukje Bakker dus] nu, als ik erover vertel, nog een beetje ontroerd van. Hij was achtentwintig. [...] En Sjoerd is in de gevangenis gaan zingen. Toen ze bij elkaar zaten zongen ze vaderlandse liederen.’

 

De terdoodveroordeelden mochten een laatste wens doen. Sjoerd vroeg om zijn roze overhemd. Dat wilde hij dragen als hij stierf. Het overhemd werd naar de gevangenis gebracht. Dat vind ik ook een prachtig detail.

 

En de familie koesterde het laatste afscheidsbriefje van Sjoerd, dat staat ook in het Bakker-boek. En dat is ook voor mij, in deze tijd, nog steeds heel begrijpelijk, want wat hij zegt, in dat overgeleverde briefje, is heel ontroerend en indrukwekkend in al zijn eenvoud. Hij schreef:

 

‘Lieve allemaal,

Het is onnodig jullie allemaal te schrijven hoe precies enz. Jullie kennen mij allemaal en weten hoe ik was en ben. Ik hoop tot het laatste te blijven wie ik was en alles over te geven wat dit leven betreft. Jullie weten wat ik gevraagd heb: niet in wraak aan mijn dood te denken, die op zijn tijd en plaats was, in het groots plan wat wij niet kunnen begrijpen en doorgronden. Ik dank jullie allemaal, voor wat je bent geweest, ook de laatste dagen, het was echt en goed.

Dag, groet allen en bedank jezelf. Je Sjoerd.

P.S. Zorg voor Ali en groet allen van me. Dag!’

 

Sjoerd werd met zijn elf verzetskameraden geëxecuteerd op donderdagochtend 1 juli 1943.