Jeugdjaren in Amerika
Waarom ik danseres geworden ben? Omdat ik geboren ben in een koude stad, omdat ik mijn hele jeugd kou geleden heb, omdat ik er altijd naar verlangd heb op 't toneel te dansen.
Saunt Louis
Josephine Baker wordt geboren als Freda Josephine McDonald in een sloppenwijk van Saint Louis, Missouri, op 3 juni 1906. De zwarte bevolking wordt er onderdrukt. Ze groeit op in armoede en moet vanaf haar achtste als hulpje in de huishouding werken voor witte mensen.
Josephine is een buitenechtelijk kind van een onbekende vader. Ze is de oudste van vier kinderen. Haar moeder is wasvrouw en haar stiefvader is werkloos. Ze wonen in een vervallen huis en eten vinden ze tussen het vuilnis van rijke witte mensen.
In Saint Louis zijn wetten voor rassenscheiding op basis van huidskleur. Zwarte bewoners gaan gebukt onder racisme, geweld en vernedering.
Rassenrellen
In juli 1917 zijn er rassenrellen in Saint Louis. Een witte menigte bestormt zwarte wijken, en de politie grijpt niet in. Tussen 100 en 200 zwarte Amerikanen worden vermoord; zeker 6000 mensen raken dakloos doordat hele wijken worden platgebrand. Josephine is dan 11 jaar. Deze gebeurtenis maakt diepe indruk bij haar: “Mijn gelukkigste jeugdherinnering? Ik weet het echt niet, maar ik kan je wel vertellen wat de ergste was. Het heeft me getekend.”
Dromen van dansen
Josephine gaat nauwelijks naar school. Ze werkt als hulp bij een witte familie. Ze is eigengereid en dat geeft spanningen thuis. Haar moeder slaat haar soms hard.
Van jongs af aan droomt Josephine er van om danseres te worden. In de kelder van haar moeders huis richt ze een theater in, waar ze shows opvoert voor kinderen uit de buurt.
Om aan de ellende te ontsnappen, loopt Josephine op haar dertiende weg van huis en trouwt ze met de veel oudere staalwerker Willy Wells. Ze scheiden als uitkomt dat Josephine heeft gelogen zwanger te zijn. Kort daarop krijgt ze een baantje als kleedster bij de muziekgroep Dixie Steppers, met blues-zangeres Clara Smith en ze verlaat Saint Louis om met de groep rond te touren.
Het gefluit, het geschreeuw, de bravo's, het gelach, de honderden starende ogen… het was enorm opwindend
De Dixie Steppers
Bij de Dixie Steppers leert Josephine muziek schrijven en blues zingen van zangeres Clara Smith. Optreden doet ze nauwelijks; ze werkt als kleedster en decorbouwer. Als een achtergronddanseres ziek is, mag Josephine invallen. “Het gefluit, het geschreeuw, de bravo's, het gelach, de honderden starende ogen… het was enorm opwindend,” vertelt ze later. Ze valt op door haar humor. “Razendsnel leerde ik dat de menigte in lachen uitbarstte als ik met mijn ogen rolde en gezichten trok.”
Doorbraak
Josephine trouwt met Billy Baker. Al snel gaan ze uit elkaar, maar ze houdt zijn achternaam.
In 1922 gaat de vijftienjarige Josephine naar New York, hét centrum van Afro-Amerikaanse cultuur. Daar huurt ze een kamer in de zwarte wijk Harlem. Ze doet auditie voor een show op Broadway, Shuffle Along. Maar de schrijvers vinden haar “te jong, te klein, te dun en te donker.” Josephine wordt kleedster bij de musical en grijpt haar kans als een achtergronddanseres zwanger wordt. Haar optreden is een doorslaand succes en ze krijgt een vaste plek in de show. Dit is Josephines grote doorbraak.
The Harlem Renaissance en blackface
In de jaren 1920 en 1930 bloeit in New York de Afro-Amerikaanse cultuur met blues, jazz en de charleston-dans. Zwarte artiesten treden op voor een zwart publiek in Harlem. In shows voor witte Amerikanen worden mensen van kleur gespeeld door zwart geschminkte witte artiesten, wat bekendstaat als blackfacing. De personages verbeelden racistische stereotypen.
De zwarte componist Eubie Blake en zwarte schrijver Noble Sissle maken voor het eerst een musical met een zwarte cast voor een wit publiek: Shuffle Along. Josephine Baker krijgt een rol. De musical is een groot succes. De show speelt met zwarte stereotypen en blackfacing. Josephine ontdekt “dat er ook tussen zwarten werd gediscrimineerd”, want de danseressen mogen niet te donker zijn. In andere shows is een te lichte huid weer niet goed. “Ik wilde me omdraaien en wegrennen. Was er dan geen plek op de wereld waar kleur er niet toe deed?”